Haan en Hond waren op reis. Kat wist waar ze heen waren, maar Ezel niet. En dat vond hij niet fijn.
“Waar zijn Haan en Hond?”
“Op reis.”
“Waarheen.”
Kat keek op. “Dat weet je toch?”
“Neen, jij wil het me niet vertellen. Daarom vraag ik het je.”
“Ezel, als ik je werkelijk iets niet wilde vertellen, dan zou ik het ook niet zeggen als je het me vroeg. Al vroeg je het honderd keer.”
“Dan vraag ik het gewoon honderd en een keer.”
Kat zuchtte.
Ezel bleef Kat verwachtingsvol aankijken, maar toen Kat niets meer zei, vroeg Ezel: “Waar zijn Haan en Hond?”
“Op reis. Dat heb ik je toch al vertelt!”
“Waarheen?”
“Dat weet je toch, Ezel!”
“Zou ik het vragen als ik het wist?”
“Ja.”
Ezel dacht na. “Je hebt gelijk,” zei hij toen, “Maar kan je mij nu niet gewoon antwoord geven?”
“Neen, je weet waar ze heen zijn, dus ik geef je geen antwoord.”
“Je weet het zelf niet!”
“Jawel!”
“Waarom zeg je het dan niet?”
“Omdat ik daar geen zin in heb!”
“Dan weet je het niet!”
“Ze zijn naar de Goede Fee, oké!”
“Zie je wel dat je het vertelt als ik het vraag. Ook al wil je het niet vertellen.”
Ezel rekte zich uit en liep naar buiten. Kat liet hij verbaasd achter.
1 opmerking:
machtig hihihihi. Zo kinderlijk en toc zo volwassen en doordacht als je het leest. Je hebt schrijftalent meid!!
Een reactie posten