Posts tonen met het label De verhalen van Kat en Ezel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De verhalen van Kat en Ezel. Alle posts tonen

donderdag 28 augustus 2008

In het licht van de maan (3)

Haan en Hond waren op reis. Kat wist waar ze heen waren, maar Ezel niet. En dat vond hij niet fijn.
“Waar zijn Haan en Hond?”
“Op reis.”
“Waarheen.”
Kat keek op. “Dat weet je toch?”
“Neen, jij wil het me niet vertellen. Daarom vraag ik het je.”
“Ezel, als ik je werkelijk iets niet wilde vertellen, dan zou ik het ook niet zeggen als je het me vroeg. Al vroeg je het honderd keer.”
“Dan vraag ik het gewoon honderd en een keer.”
Kat zuchtte.
Ezel bleef Kat verwachtingsvol aankijken, maar toen Kat niets meer zei, vroeg Ezel: “Waar zijn Haan en Hond?”
“Op reis. Dat heb ik je toch al vertelt!”
“Waarheen?”
“Dat weet je toch, Ezel!”
“Zou ik het vragen als ik het wist?”
“Ja.”
Ezel dacht na. “Je hebt gelijk,” zei hij toen, “Maar kan je mij nu niet gewoon antwoord geven?”
“Neen, je weet waar ze heen zijn, dus ik geef je geen antwoord.”
“Je weet het zelf niet!”
“Jawel!”
“Waarom zeg je het dan niet?”
“Omdat ik daar geen zin in heb!”
“Dan weet je het niet!”
“Ze zijn naar de Goede Fee, oké!”
“Zie je wel dat je het vertelt als ik het vraag. Ook al wil je het niet vertellen.”
Ezel rekte zich uit en liep naar buiten. Kat liet hij verbaasd achter.

In het licht van de maan (2)

Kat zat aan tafel en schreef een brief.
Beste Beer,

Het is al een tijdje geleden dat ik een brief van je kreeg. Maar het is dan ook al een tijd geleden dat ik jou nog heb geschreven.

Plots voelde Kat een vreemde wind op zijn wang.
Zou de deur nog open staan, dacht hij. Hij keek opzij en zag zichzelf in de grote ogen van Ezel.
Kat gilde.
Ezel gilde ook.
Kat stopte met gillen en keek naar Ezel. Ezel holde de hele kamer rond en bleef maar gillen. Toen hij stopte keek hij naar Kat.
“Je deed me schrikken!” riep hij verontwaardigd.
“Jij mij ook,” antwoordde Kat.
Ezel kwam terug naast Kat staan.
“Wat doe je?” vroeg Ezel.
“Ik schrijf.”
“Dat zie ik ook! Wat schrijf je?”
“Ik schrijf een brief naar Beer,” antwoordde Kat. Hij nam zijn pen terug op en schreef verder. Toen de brief af was, stak Kat hem in een enveloppe en schreef er zorgvuldig op:
Aan Beer.
Toen dat was gebeurd liep Kat naar het raam. Hij deed het open en gooide de brief naar buiten. De wind nam de brief meteen mee om hem aan Beer te geven.
“Waarom krijg ik nooit post?” vroeg Ezel.
“Misschien is het omdat jij nooit brieven schrijft.”
Ezel dacht daarover heel diep na en zei toen: ”Dan ga ik nu een brief schrijven naar Beer.”
Kat schudde zijn hoofd en liep de kamer uit. Ezel nam een blad en een pen. Toen begon hij te schrijven.
Beste Beer,
Ik krijg nooit post. Daarom schrijf ik een brief naar jou.
Ik zou heel graag een brief terug krijgen. Schrijf je een brief naar mij?
Ik weet eigenlijk niet wat er zoal in een brief moet staan.
Schrijf jij een brief terug naar mij?
Omdat ik verder niets meer weet te vertellen zal ik maar stoppen met schrijven. Schrijf je zeker een brief terug naar mij?
Groetjes van
Ezel
Ezel vouwde de brief op en stak hem in een enveloppe. Net als hij Kat had zien doen, schreef hij op de enveloppe:
Aan Beer.
Daarna gooide hij hem naar de wind. Ezel ging aan het raam zitten en wachtte. Maar toen het donker werd en zowel Hond, Haan als Kat naar bed waren gegaan was er nog steeds geen brief voor Ezel gekomen. Kwaad ging hij naar bed.
Toen hij de volgende morgen opstond was hij nog steeds kwaad.
“Wat is er, Ezel?” vroeg Haan.
“Ik heb gisteren een brief gestuurd naar Beer, maar hij stuurde nog steeds geen brief terug!” zei Ezel kwaad.
“Misschien heeft hij tijd nodig om een brief te schrijven,” zei Hond, “Het is niet makkelijk om brieven te schrijven, weet je.”
Daar moest Ezel nog eens over nadenken. Hond had gelijk. Het was inderdaad niet makkelijk om brieven te schrijven. Hij wist zelf ook niet wat hij naar Beer had moeten schrijven. Ezel besloot om Beer rustig zijn brief te laten schrijven. Ondertussen zou hij een wandeling maken en op bezoek gaan bij Roodkapje.

Toen Ezel ’s avonds laat terug kwam van Roodkapje, lag er op tafel een enveloppe. Met sierlijke letters stond er op geschreven:
Aan Ezel
Ezel sprong bijna een gat in de lucht. Snel opende hij de enveloppe en begon te lezen.
Beste Ezel,
Zoals je ziet heb ik inderdaad een brief terug geschreven. Het is heus niet nodig om dat drie keer te schrijven. Ik was zeer blij om een brief van je te krijgen.
Hoe gaat het trouwens met je? Ik hoorde van Kat dat jullie binnenkort een feestje houden. Ik hoop dat ik je dan nog eens zie.
Hier is alles trouwens heel goed. Goudlokje woont hier niet ver vandaan en komt af en toe nog eens op bezoek. Ik moest je de groeten doen van haar. Verder heb je ook nog de groeten van mama Beer en kleine Beer.
Ik hoop snel weer een brief van je te krijgen.
Groeten van
Beer.
Ezel was zo blij met zijn brief dat hij meteen iedereen uit bed ging roepen. Kat was blij om het te horen, maar Hond en Haan sliepen bijna direct weer. Ezel besloot om de volgende dag een brief terug te schrijven en ging slapen. De brief heeft hij onder zijn kussen gestopt en wie weet ligt die daar nu nog…

In het licht van de maan (1)

Ezel en Kat zaten samen voor het smeulende haardvuur. Ze hadden net een spetterend feestje achter de rug.
“Slaaplekker!” kraaide Haan.
“Welterusten!” blafte Hond.
“Slaapzacht!” antwoordden Kat en Ezel in koor.
Kat zuchtte.
Ezel zuchtte ook.
De laatste vlammen in het haardvuur doofden en het hout veranderde van oranje naar zwart.
Kat schoof wat dichter naar het vuur om de laatste warmte op te vangen.
Ezel schoof ook wat dichter naar het vuur.
Kat ging op zijn rug liggen en begon te spinnen.
Ezel ging ook op zijn rug liggen en probeerde te spinnen.
Kat opende een oog en kuchte.
Ezel kuchte ook.
Met een ruk ging Kat recht zitten.
Ezel opende zijn ogen en toen hij zag dat Kat recht zat ging hij ook recht zitten.
“Waarom doe jij me steeds na?” vroeg Kat.
“Dat doe ik niet,” antwoordde Ezel.
“Dat doe je wel,” zei Kat.
“Dat doe ik niet,” zei Ezel.
“Ezel, liegen mag niet. Dat is tegen de regels.”
“Lieg jij nooit?”
“Neen, ik lieg nooit.”
“Oh, oké dan.”
“Waar deed je me dan na?”
“Gewoon.”
“Ezel?!?”
“Wel, ik wil gewoon net zo gelukkig zijn als jij. Je lijkt me altijd zo gelukkig. Alsof er niets op de hele wereld je kan stoppen. Jij bent zo gelukkig dat iedereen begint te glimlachen als je in de buurt bent. Zo gelukkig ben je! En ik wil ook zo gelukkig zijn.”
“Ben jij dan niet gelukkig?”
“Euh… jawel, maar jij bent gelukkiger. Zo gelukkig dat je altijd geluk hebt. Ik wil even gelukkig zijn.”
“Hoe weet jij nou dat ik gelukkiger ben?”
“Als ik in de buurt ben beginnen de mensen niet te glimlachen.”
“Maar je bent toch gelukkig, amigo?”
Ezel knikte.
“Dat is toch het belangrijkste?”
“Dat weet ik niet.”
Kat keek Ezel verbaasd aan en zuchtte.
Ezel zuchtte ook.
Kat krabde zich op zijn kop.
Ezel krabde zich ook.
Kat keek naar Ezel.
Ezel keek naar Kat.
“Weet je het al?”
Ezel schudde zijn kop. Kat en Ezel staarden terug in het vuur.
“Weet je,” zei Ezel, “het helpt toch niet.”
“Wat?”
“Hoeveel ik je ook nadoe, ik word er niet gelukkiger door.”
“Probeer eens aan iets leuks te denken.”
Ezel dacht na. Hij dacht aan vlinders en zon. Hij dacht aan al zijn vrienden en het feestje.
Ik ben toch ongelofelijk gelukkig, dacht hij.
Plots bulderde Ezel van het lachen.
“Wat?” vroeg Kat.
Ezel lachte.
“Wat?!” vroeg Kat.
Ezel lachte.
“Waaaaaaat?!?” riep Kat.
“Ik bedacht net dat ik een idioot ben,” zei Ezel.
“Dat wist ik al, hoor, “ zei Kat.
“Misschien ben je daarom zo gelukkig,” zei Ezel.
Kat zat met open mond naar Ezel te kijken.
“Slaapzacht,” zei Ezel en ging naar bed.
Kat bleef zitten en staarde naar het haardvuur dat nu koud begon te worden.
“Wat is geluk?” dacht hij.